Sociale Veiligheid

Door Louis Haezebrouck en Koen Descamps

Wat is sociale veiligheid?

Onder sociale veiligheid wordt verstaan: de materiele en/ of immateriele schade die ontstaat als gevolg van misdadige of asociale gedragingen of handelingen van mensen dan wel de mate waarin men voor zulke schade angst heeft.

Het gaat hier over persoonsgerelateerde criminaliteit en overlast.
Persoonsgerelateerde criminaliteit is de criminaliteit die rechtstreeks de persoon (en de integriteit van de persoon) of het eigendom schade toebrengt. Overlast gaat o.a. om: rondhangende groepen jongeren, geluidsoverlast, onbeleefdheden, wildplassen, rondslingerend vuil, bedreigingen en scheldpartijen. En dan heb je nog de onveiligheidsgevoelens waarmee de burgers mee te kampen hebben.

Deze aspecten kun je van elkaar scheiden maar toch zijn er verbanden, zo zorgt een bepaalde vorm van criminalitei voor een bepaalde vorm van overlast. En zorgen die twee aspecten dan voor onveiligheidsgevoelens bij de burgers.

Sociale veiligheid bestaat uit 2 componenten:

• de objectieve veiligheid en
• subjectieve veiligheid.

Deze twee componenten verwijzen naar de grond waarop uitspraken over veiligheid zijn gefundeerd:

1. op feitelijkheden (objectief) het is aantoonbaar, cijfermatig.

2. op gevoel (subjectief), dus hoe je onveiligheid persoonlijk beleeft vanuit jouw eigen ervaringen.

Objectieve veiligheid

Objectieve veiligheid bestaat uit persoonsgerelateerde criminaliteit en overlast. (bij overlast is het moeilijker te zeggen wanneer er sprake is van onveiligheid dan bij persoonsgerelateerde criminaliteit.)

Het is gebaseerd op feitelijkheden. En het is gemeten op een vooraf vastgestelde schaal van veiligheid. Wat men meet zijn uiterlijk waarneembare maatschappelijke verschijnselen. Inbraak kunnen we bijvoorbeeld objectief vaststellen door het aantal inbraken in een bepaalde zone te gaan tellen.

Ofnog: het principe van objectieve veiligheid: tellen en meten van uiterlijk waarneembare verschijnselen aan de hand van een vooraf omschreven methode. Industriële veiligheid kan men vaststellen door ongevallen te tellen en aantallen slachtoffers die daarvan het gevolg zijn, en door te kijken naar de omvang van de schade. Zo is voor elke vorm van veiligheid wel een manier (te bedenken) om het niveau van veiligheid te meten en daarmee een bepaalde maat te creëren voor de objectieve veiligheid.

Subjectieve veiligheid

Subjectieve veiligheid is de mate waarin mensen zich veilig voelen. Op een en dezelfde plaats kunnen verschillende mensen zich in verschillende mate veilig voelen. Subjectieve veiligheid is een persoonlijke zaak. De een voelt zich onveilig in een bos, de ander in de binnenstad, bijvoorbeeld vanwege de rondhangende jeugd. De een voelt zich onveilig in het verkeer, de ander voelt zich daar onkwetsbaar en staat nooit stil bij de mogelijke gevaren. Soms gaan mensen niet naar bepaalde plaatsen omdat ze risico’s willen mijden, of ze doen ’s avonds de deur niet meer open. Zo heeft iedereen een eigen beleving van veiligheid en risico’s.
Objectieve en subjectieve veiligheid houden verband met elkaar, maar vaak minder strikt dan met in eerste aanleg zou vermoeden. Ze verdienen apart aandacht. Wanneer in een bepaalde wij steevast voorbijgangers worden lastiggevallen en beroofd, raakt dat al snel via de pers in bredere kring bekend en zullen mensen, nu zij weten van de situatie daar, zich in die wijk minder veilig voelen. De subjectieve veiligheid is dan gering als gevolg van de geringe objectieve veiligheid. Maar vaak sporen objectieve en subjectieve veiligheid niet zo mooi. Als er in de pers geregeld berichten verschijnen over geweld in de binnenstad tijdens de avonduren, is dat voor mensen van buiten wellicht een reden om de binnenstad te mijden vanwege de verwachte risico’s. Echter, mensen die zelf in de binnenstad wonen, en die ter plaatse dus goed bekend zijn, zullen zich in hun eigen stad ondanks de berichten niet zo gauw onveilig voelen. Andersom kan het ook zijn dat mensen zich op een bepaalde plek onveilig voelen terwijl daar objectief gezien geen probleem is. Wie zo’n probleem aanpakt, kan niet volstaan met te wijzen op de statistiek (‘geen zorgen, er zijn hier niet veel incidenten’) maar dient het gevoel van onveiligheid serieus te nemen, de oorzaak ervan te achterhalen en daarmee aan de slag te gaan.

Bron: cursus actualiteit en veiligheid

Aanpak van sociale veiligheid

Een integrale aanpak met een goede samenwerking waarbij het belangrijk is dat alle betrokkenen van elkaar weten wat men doet en wat men kan.

De preventieketen:

Proactie: wegnemen van structurele oorzaken van de onveiligheid
(bijvoorbeeld bieden van arbeidsperspectief aan jongeren)

Preventie: voorkomen van directe oorzaken van onveiligheid en beperken van criminaliteit
(bijvoorbeeld verlichting aanbrengen in brandgangen)

Preparatie: voorbereiding op bestrijding
(bijvoorbeeld voldoende politie-inzet)

Repressie: daadwerkelijke bestrijding van criminaliteit en hulpverlening in acute situaties
(bijvoorbeeld politieoptreden)

Nazorg: voorkomen dat daders recidiveren
(bijvoorbeeld opvang en resocialisatie van ex-gedetineerden)

Op al die onderdelen van de veiligheidsketen zijn veel verschillende organisaties en instellingen werkzaam, ieder vanuit een eigen taakstelling en intentie:

Proactie: welzijnswerk, arbeidsbureau, onderwijs en educatie, jongerenwerk
Preventie: welzijnswerk, onderwijs en educatie, gemeente, jongerenwerk
Preparatie: gemeente, politie, justitie
Repressie: politie, parkeerwacht, justitie, gevangeniswezen
Nazorg: jeugdzorg, verslavingszorg

Onveiligheidsgevoelens in België

Evolutie van het onveiligheidsgevoel doorheen de tijd, naar gewest

flickr:3087083308

De ontwikkeling die we op federaal niveau vaststellen, vinden we algemeen ook terug
in de drie gewesten, die op vergelijkbare wijze evolueren in de tijd. Het onveiligheidsgevoel verschilt lichtjes naar gelang het gewest.
Uit gegevens blijkt dat de Vlamingen zich iets veiliger voelen (69%) dan de Walen (55%) of de Brusselaars (47%). Deze verschillen vinden we ook terug binnen de gewesten.
Bijvoorbeeld in de gerechtelijke arrondissementen: Charleroi (17,9%), Brussel
(16,8%), Mons (12,8%) en Liège (11,3%) voelen de inwoners zich meer ‘altijd’ en ‘vaak’
onveilig. Daarentegen stellen we vast dat in de arrondissementen Turnhout (4,2%) en Veurne (4,7%) veel minder onveiligheidsgevoelens heersen.

Het onveiligheidsgevoel naargelang de persoonlijke karakteristieken

flickr:3095226898

De onveiligheidsgevoelens zijn nogal ongelijk verdeeld over de bevolking. Het
onveiligheidsgevoel is het sterkst bij de ouderen, voornamelijk bij de 65-plussers. De
leeftijdscategorie 25-49 jarigen daarentegen voelen zich veiliger dan het federaal gemiddelde.
Wat betreft de overige leeftijdscategorieën zijn er geen duidelijke verschillen vast te stellen.
Vrouwen voelen zich echter vlugger onveilig dan mannen.
Verder valt nog op dat mensen die nog werken zich minder onveilig voelen dan de
gepensioneerden en de andere niet-actieven.
In dit geval kunnen we misschien stellen dat de objectieve veiligheid niet zozeer onveiligheid in strikte zin is, maar eerder een maatschappelijke onzekerheid die verbonden is met een sociale positie, bv. werkzekerheid (cfr. analyserapport Veiligheidsmonitor 2000).
Tenslotte voelen personen die beschikken over een diploma hoger secundair onderwijs of
hoger onderwijs zich minder onveilig dan personen die enkel beschikken over een diploma
lager secundair onderwijs of lager.

Verband tussen slachtofferschap en onveiligheidsgevoel

flickr:3094389057

Ook andere kenmerken van de ondervraagde personen, zoals bijvoorbeeld ofdat men al dan niet slachtoffer werd de afgelopen 5 jaar, kunnen worden vergeleken met het onveiligheidsgevoel van de ondervraagden.
De bevraagde burgers die slachtoffer werden de afgelopen 5 jaar van één of meerdere
delicten, voelen zich statistisch duidelijk meer (altijd of vaak) onveilig dan de andere.
Het percentage ondervraagden die zich onveilig voelt ligt dubbel zo hoog bij de slachtoffers
dan bij de niet-slachtoffers. Zo voelt 15,9% van de mensen die slachtoffer werden de
afgelopen 5 jaar zich altijd of vaak onveilig, tegenover 7% van de niet-slachtoffers.

Het onveiligheidsgevoel bij de jongeren (15 - 24 jarigen)

flickr:3095231930

Op 12 april 2006 werd Joe Vanholsbeeck vermoord in het station van Brussel Centraal.
Een bijkomende analyse werd uitgevoerd om een mogelijke invloed hiervan op het
onveiligheidsgevoel meer onder de loep te nemen.
De analyses van het algemeen onveiligheidsgevoel tonen aan dat er geen opmerkelijk
statistisch verschil is in het onveiligheidsgevoel vóór en na de gebeurtenis in Brussel Centraal.
Er is echter wel een verschil waarneembaar bij de jongeren tussen 15 en 24 jaar. De jongeren
voelen zich meer “altijd” en “vaak” onveilig gedurende de periode die volgde op de moord op
Joe Vanholsbeeck. De invloed van deze gebeurtenis op het onveiligheidsgevoel bij jongeren
is statistisch duidelijk het sterkst in de tweede en derde week die volgden op de tragische
gebeurtenis.
Een maand later (11-05-’06) vonden de moorden plaats in Antwerpen op een kind en
haar oppas (Hans Vanthemse). Naar aanleiding hiervan zijn er geen verschillen waarneembaar in het onveiligheidsgevoel van de burgers.[[image]]

Bronnen

STOL W. Focus op integrale veiligheid. In: STOL W.,RIJPMA J., TIELENBURG C., VEENHUYSEN H. & ABBAS T. (Red). Basisboek Integrale Veiligheid. Uitgeverij Coutinho, 2006, 38-39

VAN DEN BOGAERDE E. & VAN DEN STEEN I. Analyse van de federale veiligheidsmonitor 2006, Onveiligheid, Federale Politie – Directie van nationale gegevensbank, Brussel, 55

www.primo-nh.nl/uploads/Socialeveiligheid.doc

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License

SSL configuration warning

This site has been configured to use only SSL (HTTPS) secure connection. SSL is available only for Pro+ premium accounts.

If you are the master administrator of this site, please either upgrade your account to enable secure access. You can also disable SSL access in the Site Manager for this site.